Agenda

Over Zorg Poort

Verslagen

Contact opnemen

Hét platform voor de zorg

Verslag Zorg Poort 12 maart 2013
 

Zorgaanbieders moeten aan de slag op Europees niveau

 

Nederland doet veel, maar ‘t kan beter!

 

 

Europa kost geld en levert niets op. Dat is de teneur wanneer er over Europa wordt gesproken. Elk jaar gaat 50 miljard subsidie naar landbouw en de kritiek op deze uitgave neemt toe. “Kunnen we er dus na deze bijeenkomst niet voor zorgen dat van deze subsidiepot tien miljard naar de zorg gaat?” vraagt gespreksleider Caspar Becx aan het publiek.  

 

“Europa is geen dagelijkse kost”, zo begint ook senior adviseur Onderzoek en Innovatie Internationale Zaken van VWS, drs. Marja Esveld  haar betoog.

Toch gebeurt er veel op Europees niveau, ook wat de zorg betreft. Het Directorate General for Health and Consumer Affairs, DG Sanco, maakt veel werk van de invoering van behandelingen die wetenschappelijk onderbouwd zijn. Het leren van elkaar en het beheer van structuur- en stimuleringsfondsen bewijzen daarbij hun nut.

Nederland doet het daarbij goed. We halen voor onderzoek bijna tweemaal zoveel geld binnen dan we erin stoppen.

 

Blik op Brussel

Echter: in het adviesrapport van de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg (RVZ)  “Blik op Brussel”  (2012) staat dat het nog beter kan. Veel onderzoek blijft  op de plank liggen, voorstellen worden niet goed gecoördineerd. Het blijft in een academische setting hangen. Het wordt niet in de praktijk gebruikt. “Dat kan anders”, vindt Marja Esveld,“We moeten eerst bedenken wat we nodig hebben, wat we ermee kunnen. Daar zijn meerdere partijen voor nodig, waaronder het Midden- en Klein Bedrijf”.

Er zijn weliswaar veel initiatieven en in Nederland wordt vrij uniek en goed samengewerkt met het bedrijfsleven (PP en PPS). Maar op Europees niveau laat het nog wel wat te wensen over.

 

Nederland is het 5de land op de Europese sociale ladder, maar niet duidelijk is wat onze ambities zijn. En ook de manier waarop we ons organiseren is voor verbetering vatbaar, zo stellen de schrijvers van “Blik op Brussel”.  Het hebben en stroomlijnen van een gezamenlijke agenda op basis van het topsectoren -beleid  van het ministerie is essentieel. Met behulp van een samen te stellen brede klankbordgroep uit het veld kan die nieuwe agenda daadwerkelijk gestroomlijnd worden.

Bijvoorbeeld voor Life science. “Dit  heeft echt een gezamenlijke agenda en lobby nodig. We moeten aangeven waar we goed in zijn en het zo inrichten dat het impact heeft. Daarvoor is een stevig verhaal van belang”, stelt Marja Esveld.

Daarbij is voeding vanuit de eerstelijns organisaties nodig. Anders blijven we teveel steken in nieuwe technologie en biochemie vanuit de UMC ’s en grote bedrijven. Vraag is namelijk of de zorgaanbieders en patiënten daarop zitten te wachten.

 

De Nederlandse bijdrage voor twee jaar langer gezond leven

Nederland kan bogen op een aantal sterke kanten. We zijn goed in het focussen op de eindgebruiker, in publiek private samenwerking, in multidisciplinair onderzoek en ook in het opzetten van deugdelijke infrastructuur.

Via deze sterke kanten kunnen we onderzoek laten verlopen bij programma ’s als active aging en e-health. Daarnaast kunnen we op het terrein van de anti microbacteriële resistentie een belangrijke rol spelen, onder meer waar het gaat om onderzoek, afstemming en het gebruik van nieuwe middelen. Zo kunnen we een belangrijke bijdrage leveren aan het doel van European Innovation Partnership: twee jaar langer gezond leven!

 

Marja Esveld wijst vaak gehoorde argumenten dat het moeilijk is om in Brussel de weg te vinden van de hand. Hulp is voorhanden, zegt ze.

“Zoekt u partners, landelijk of regionaal, dan kunt u terecht bij het agentschap NL, ZonMw en het ministerie van VWS. Wij kunnen helpen om fondsen in Brussel te werven voor goed en degelijk onderzoek en implementatie van bewezen interventies”.

 

De spiegel die Europa heet        

“Europa houdt ons een spiegel voor. Kijk naar Griekenland en je weet dat je elementen van het Nederlandse systeem zoals poortwachterschap en inschrijving op naam niet overboord moet gooien”, aldus professor Peter Groenewegen, directeur van het NIVEL.

Het NIVEL heeft een groot Europees onderzoeksproject, PHAMEU geheten, gecoördineerd. Het is een inventariserend en vergelijkend onderzoek van de verschillende gezondheidszorgsystemen in 17 Europese landen. De eerste officiële uitgave gaat over de thuiszorg in Europa: “Home care Europe” (2012). met als centrale vraag: Zijn Europese zorgsystemen in staat adequaat te reageren op de veranderende zorgbehoeften van thuiswonende zorggebruikers.

Nederland doet het redelijk goed en is uniek wat betreft het aanbesteden van huishoudelijk werk, zo blijkt.

Verzekeringssystemen zijn echter verschillend en de waarden waarop systemen zijn gebaseerd verschillen ook. Over het algemeen kun je stellen dat meer links georiënteerde democratische landen een beter georganiseerd vooral eerstelijns gezondheidszorgsysteem hebben. Dit heeft vooral te maken met beleid.   

 

Wat levert het op

De vraag is wat onze bijdrage aan het Europees Gezondheidsbeleid ons tot nu toe heeft opgeleverd of wat het ons nog kan opleveren. Groenewegen noemt een voorbeeld uit de praktijk. “In samenspraak met ZonMw is het project “Gluren bij de buren” uitgevoerd. Dit levert veel op: je kunt lessen trekken, je eigen systeem aanpassen of bruikbare elementen invoegen. Dit is nodig omdat er veel veranderingen gaande zijn die niet alleen voor Nederland gelden maar voor heel Europa. Ik noem vergrijzing, medische technologie, globalisering, verzekering van ziektekosten, houdbaarheid van verzekeringen en meer”, aldus de NIVEL-directeur, die daar aan toevoegt:

“Toch is er weinig belangstelling van het werkveld anders dan op het gebied van high tech, universitaire medische centra en bedrijven. Dit komt met name doordat het te abstract gevonden wordt en de zorgverleners te druk zijn met zeer specifieke problematiek. Bovendien is de toegankelijkheid van informatie niet vanzelfsprekend, is de overdraagbaarheid niet gemakkelijk en is de zorg vaak gebaseerd op een ander financieringsmodel. Ook de bijkomende kosten vormen een belemmering want: Je moet het ook zelf gezien hebben wil je het kunnen gebruiken in de eigen

praktijk….”

 

Welke thema ’s

Tot nu toe is er (te) veel aandacht geweest voor biomedische technologie en minder oor de organisatie van zorg. De lidstaten van de Europese Unie hebben huiswerk gekregen: wat moeten we veranderen om de gezondheidszorgsystemen in de landen op peil te houden, te verbeteren? Via een European Semester wordt getracht het huiswerk te coördineren.

Dit kan de basis zijn voor een bruikbare agenda voor de toekomst.

Groenewegen noemt het pas uitgekomen artikel van Prof. dr.Johan Mackenbach (Erasmus Universiteit) over de meerwaarde van door de overheid in gang gezet preventiebeleid. Een ander thema is anti-microbacteriële resistentie.

Het NIVEL is bezig met een tender van DG Sanco over het niet op recept innemen van antibiotica en de gevolgen daarvan. Peter Groenewegen besluit: “We moeten elkaar inspireren, aan het denken zetten en de tijd nemen om even te kunnen abstraheren van de dagelijkse praktijk om kansen te creëren en te benutten ten behoeve van een effectieve, doelmatige en efficiënte eerstelijns gezondheidszorg”.

 

 

Kansen, vragen en belemmeringen

 

Het aansluitende debat over de inleidingen kent vooral veel vragen naar het hoe en waarom.

Als het gaat om ouderenzorg, is het regeerakkoord dan gebaseerd op de kennis die we opgedaan hebben door het onderzoek in andere landen? “Nee”, aldus Peter Groenewegen: “een regeerakkoord wordt niet geschreven op basis van evidentie. 70 % is politiek en slechts 30 % is evidentie”.

Bovendien zijn naar zijn zeggen onderzoeken en behandelingen contextafhankelijk. Het is van belang technologie te combineren met sociale innovatie om mensen langer thuis te kunnen laten wonen.Er ligt nu nog teveel nadruk op biochemische ontwikkelingen.

Onderzoek naar nieuwe methoden en technieken moeten in samenhang ontwikkeld worden, met het bedrijfsleven, de organisaties en de overheid.

Vanuit de zaal wordt gesteld dat de participatie van de patiënt niet duidelijk genoeg aanwezig is. Ook vanavond niet. In onderzoek en behandeling moet die patiënt toch centraal staan?

En als het gaat om ambities is ook nog wel een slag te maken vindt een deelnemer aan het debat. “Waarom willen we niet de nummer 1 zijn van Europa als het gaat om Gezondheid en gedrag? Maar dan kom je weer op het terrein van de praktische financiering van zorg. “Het is nu ‘kuren bij de buren’, wordt gesteld. Immers: kuren wordt door de verzekeraar in Nederland niet betaald. In Duitsland wel.

 

Oerwoud

Volgens de deelnemers aan het debat moet onmiddellijk het oerwoud aan nietszeggende afkortingen of benamingen worden afgeschaft. In ieder geval voor 70 %. Dat geldt ook voor een groot aantal adviescommissies.

Volgens Marja Esveld klopt het eerste wel maar voor projecten die gepaard gaan met grote geldsommen wil je wel graag een stuurgroep of adviesgroep om te kijken of het geld goed wordt besteed.

De NHG is momenteel bezig met een overzicht van alle richtlijnen, het onderzoek dat erbij hoort en de eventuele lacunes hierin met als centrale vraag: wat is nodig, wat doet iedereen? Dit overzicht wordt gemaakt in samenwerking met de afdelingen huisartsengeneeskunde. Volgens de sprekers zou dit ook in Europees verband kunnen, bijvoorbeeld  als het gaat om richtlijnen voor Alzheimer.

Vanuit de zaal wordt gepleit voor een aansluiting bij projecten van DG Research. Daar wordt binnenkort ook een bijeenkomst voor belegd. Het is van belang gezamenlijke issues bij de Europese koepelorganisaties neer te leggen en tegelijkertijd een gezamenlijk voorstel in te dienen.

Er is behoefte aan regie op implementatie van bewezen evidentie maar die is er niet. Ook moet de factor arbeid meegenomen worden want die is voor de maatschappelijke en financiële context van belang. Dit past bij DG employment. Dit wordt bevestigd door ZonMw: er zijn 4 thema ’s die rechtstreeks te maken hebben met arbeid en gezondheid.

 

 

Tot slot

Iedereen gaat naar huis met de wetenschap dat de onderzoeksagenda ook een zaak is van hem of haar. Input uit het veld is welkom. Tussen april en de zomer van 2013 vindt de inventarisatie plaats.

Groenwegen stelt het kort en bondig, met instemming van Marja Esveld: “Meldt u aan met ideeën of neem contact op met VWS of Agentschap NL. Daar zijn ze voor en daar worden ze voor betaald”.

 

 

14 maart 2013

 

Drs. Janke van der Zaag