wpf4561716.png
wp5ef5d38d_0f.jpg

Hét platform voor de zorg

wp85a4d237_0f.jpg

Verslag Zorgpoort 16 juni 2009

 

“Pas op de plaats met prestatie-indicatoren”

 

Door Wouter Boonstra

 

Even pas op de plaats met de wildgroei van prestatie-indicatoren in de zorg. Dat is waar NPCF-directeur Ati Schipaanboord tijdens deze bijeenkomst van Zorgpoort op aanstuurt, nu patiënten door de bomen het bos niet meer zien. Volgens AMC -directeur Louise Gunning-Schepers zijn prestatie-indicatoren de moeite waard. “Maar het kost wel moeite.”

 

Het fenomeen ‘testen’ en ‘ranglijsten’ heeft de laatste jaren een vlucht genomen. Na de haringtest en de oliebollentest hebben Elsevier en het AD ook de ziekenhuistest. AMC-directeur Gunning-Schepers heeft er niets mee. “Ik deel geen taart uit als wij in zo’n test nummer 1 zijn. Dan legitimeer ik de gekte.” De ranglijsten hebben volgens haar geen waarde, omdat de verschillen tussen ziekenhuizen niet significant zijn. “We houden onszelf voor de gek.”

Prestatie-indicatoren zijn de moeite waard, maar het kost wel moeite, vindt Gunning-Schepers. Meten is waardevol en ingewikkeld. Het AMC is met zeven andere UMC’s begonnen met het ‘parelsnoer-project’, waarin zij patiënten aan informatie koppelen. “Eigenlijk moeten we dit door accountants laten nakijken, maar zover zijn we nog lang niet.” Het is nog onduidelijk wat de beste manier van meten is en waarmee je de gegevens moet vergelijken. Gunning-Schepers: “Als je in evidence-based medische zorg gelooft, zou de uitkomst ook een streefnorm moeten zijn.” Ze vindt het onzin te stellen dat een ziekenhuis boven of onder een gemiddelde norm ligt. “Dat hangt af van het gemiddelde. Misschien is Nederland heel slecht of juist top. Als wij 1400 sterfgevallen hebben, wil de Inspectie dat we dat met de helft verminderen, maar het gemiddelde is wel een van de laagste ter wereld.” Interessanter is het jezelf in de tijd te vergelijken. “Dan heb je ook een verbeterprikkel.”

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Als je serieus wilt rangschikken, moet de case-mix hetzelfde zijn, moeten uitkomsten gecorrigeerd worden en ziekenhuizen hoog risicopatiënten niet doorverwijzen om de rangschikking veilig te stellen. Je moet jezelf willen verbeteren. Gunning-Schepers heeft moeite met het gebruik van gegevens voor verantwoording. “Er is zoveel informatie en niemand leest alles.” Een jaarverslag is waardevol, maar ziekenhuizen moeten ter verantwoording ook digitale vragenlijsten invullen. “Bij ieder specialisme verschijnt weer een nieuwe reeks vragen. Zo kom je steeds dieper in de organisatie en wordt controle steeds moeilijker. Wordt de verantwoording hier beter van?”

Daarbij zijn gegevens moeilijk te interpreteren voor patiënten, terwijl zij op basis hiervan willen kiezen. Is dat wel mogelijk? “Ik heb liever kleine verschillen tussen ziekenhuizen, zodat patiënten overal goed geholpen worden.” Gunning-Schepers wil prestatie-indicatoren gebruiken om kwaliteitsverschillen te verkleinen. “Het gaat om het zichtbaar maken van de zorg, maar daarbij moet men bedenken dat zorg inherent risicovol is. Dat is geen prettige boodschap voor jezelf. Het duurt nog wel even voor we het goed voor elkaar krijgen.”

Gouden Gids

Prestatie-indicatoren zijn bedacht om publieke verantwoording af te leggen over wat er met onze premies gebeurt, weet Ati Schipaanboord, directeur van NPCF, een samenwerkingsverband van patiënten- en consumentenorganisaties. Daarnaast is de informatie voor emancipatie en toerusting van de patiënt en is marktwerking ingezet voor kwaliteitsverbetering. Schipaanboord haalt transparantie-onderzoeker Diana Delnoij aan, die informatie pas zinvol noemt, als het meeweegt bij de keuze. “Mensen willen kiezen, maar niet iedereen wil of kan het. We moeten mensen goed ondersteunen bij keuzes en sommige dingen moeten overal goed en geregeld zijn.” Op internet staat veel informatie, maar een Gouden Gids van de zorg ontbreekt. “Daar moeten we mee aan de gang. Patiënten willen informatie over kwaliteit, risico’s, behandelmogelijkheden en wat ze kunnen verwachten.” Volgens Schipaanboord is veel informatie versnipperd of achter gesloten deuren. “Als deze informatie bruikbaar is, moet deze op maat worden geleverd. Er is veel overlap in informatie over wachttijden, vertrouwen en samenwerking.”

Bij prestatie-indicatoren gaat het om effectiviteit, veiligheid en patiëntgerichtheid. Patiënten willen informatie over de structuur, het proces en de uitkomsten. De NPCF heeft trajecten ingezet, zoals Etalageplus, waar patiënten de specialismen van en de wachttijden in ziekenhuizen kunnen zien. Uit prestatie-indicatoren blijkt dat er veel verschillen zijn. Ook worden CQ-vragenlijsten (CQ = Consumer Quality) en keurmerken voor onder meer vaatchirurgie ontwikkeld. Op Consument & Zorg staan recensies van patiënten en ‘e-patiënten’ twitteren met andere patiënten. “Toch blijft vertrouwen tussen arts en patiënt de basis. De balans tussen vertrouwen en meten en weten moet goed zijn.”

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Schipaanboord wil dat de patiënt prestatie-indicatoren goed kan vertalen naar weloverwogen afwegingen. Dat kan door maatwerk en door een relatie te leggen naar informatiebehoefte. In de prestatie-indicatoren zijn veel verschillende doelstellingen verborgen. “Er zijn maar liefst 14 stuurgroepen mee bezig. Sommigen zijn al ver, andere niet. Bij ziekenhuizen is het complex en onduidelijk.”

De NPCF wil pas op de plaats maken. “Eerst bepalen wat we willen weten en kijken welke informatie er al is en dan een patiënten basisset maken voor het publieke domein.” In de bestuurlijke trajecten ziet Schipaanboord veel bestuurlijke drukte en stroperigheid. “We moeten koplopers inzetten.” De NPCF noemt een basisset handig, maar wel heel ingewikkeld. “We moeten kijken wat we hebben en of we al een aantal doelen kunnen dienen.”

Ontwikkeling

Hoever zijn de verschillende zorgsectoren met de ontwikkeling van prestatie-indicatoren? Bij de fysiotherapeuten worden er afspraken over gemaakt. Patiënten kunnen de gegevens gemakkelijk zien, aldus KNGF-voorzitter Eenhoorn. “We gaan een doel vaststellen en halen met de patiënt.” Eenhoorn vraagt zich af of de gegevens voldoende zijn voor patiënten om te kunnen kiezen. “Dat is heel moeilijk, bijvoorbeeld bij een zeldzame behandeling.” Fysiotherapeuten hebben samen prestatie-indicatoren vastgesteld, maar zorgverzekeraars willen er steeds iets extra’s bij. “Dat irriteert ons. We zitten in een moeras en ik weet niet of er nog vaste grond komt.”

Apothekers hebben de prestatie-indicatoren al geïmplementeerd. Samen met de Inspectie hebben ze 40 indicatoren overgehouden. De datasets zijn naar alle apotheken gestuurd. Maar liefst 94 procent stuurde ze terug, waarna er een verbeteragenda is opgesteld. “Volgend jaar doen we het opnieuw en kijken we ook naar zinvolle informatie en de hoeveelheid tijd die het invullen kost”, aldus een afgevaardigde van de apothekers.

De tandartsen kijken eerst eens goed wat de anderen doen, zegt Nicolette Kroezen van de NMT. In een stuurgroep mondzorg wordt een visie ontwikkeld. “Sinds 1995 zijn er peilstations, dus alle informatie is al paraat. De vraag is wat we er precies mee gaan doen.”

De verloskundigen hebben ook al een zee aan informatie waar zij hun kwaliteitsbeleid op kunnen baseren, weet KNOV-directeur en Zorg Poort voorzitter Jos Becker-Hoff. Ook zijn vergelijkingen mogelijk in Peristat, een Europees perinataal auditproces, waarin ze kunnen zoeken naar de juiste indicatoren. “We zijn ook bezig met accrediteringsprocessen, met keurmerken en een kwaliteitsregister. Dat doen we eerst zelf en brengen we nog niet naar buiten toe.”

Druk

Eerste Kamerlid Ten Horn (SP) vindt dat indicatoren nu onvoldoende gedifferentieerd zijn. Dat zou moeten gebeuren met de drie s’en: spreekkamer, systeem en samenleving. Ze vraagt zich af of wel op de juiste levels wordt onderzocht en of er niet meer maatwerk nodig is. “Er is nu teveel achteraf en ongedifferentieerd verzameld. Dat moet ook gebeuren tijdens de behandeling in de spreekkamer. We moeten naar dynamische indicatoren.”

Voorzitter Knottnerus van de Gezondheidsraad mist een evaluatietraject in de ontwikkeling van prestatie-indicatoren. “Er is altijd veel informatie nodig voor een nieuw geneesmiddel of een nieuwe operatie. Is er wel voldoende geïnvesteerd in kennisontwikkeling in prestatie-indicatoren?” Volgens Gunning-Schepers hebben UMC’s daar een aparte groep voor die gevarieerde vragenlijsten gebruikt. Een standaard is er nog niet en kost ook tijd. “We moeten eerst afspraken maken over een zinnige, valide en betrouwbare basisset. Als er geen verschillen zijn, is het dan zinvol er tijd in te steken?” Gunning-Schepers werkt goed samen met de Inspectie, maar ervaart veel bestuurlijke druk van de Kamer en minister Klink. “Ik praat wel eens met hem, maar hij is ongeduldig. Het hoeft niet perse zorgvuldig, maar nu! Er gaat veel geld in de zorg om, maar we moeten wel kijken of dit zinvol is.”

 

Basisset

Kamerlid Henk van Gerven (SP) vindt dat prestatie-indicatoren voor medici zelf moeten zijn. Hij is voor bekendmaking van mortaliteitscijfers, maar wel met een goede interpretatie. “De totale kwaliteit van de zorg in het hele land moet goed zijn. Vakmensen kunnen onderling concurreren op kwaliteit. Laat het aan de professionals.” NMT-vice-voorzitter Vos vindt dat de patiënt wel informatie moet hebben om te kunnen kiezen, maar vraagt zich af of prestatie-indicatoren daar geschikt voor zijn. “Het hoeft niet moeilijk te zijn. De indices zijn niet de panacee voor alles in de zorg.” Gunning-Schepers vindt een paar basissets voldoende en deze moeten niet versnipperd zijn. Schipaanboord wil een basisset door de Inspectie en een door patiënten.

Kamerlid De Vries (CDA) noemt de verschillen in de sector zorgelijk. “De kwaliteit kan het beste door de Inspectie en door de zorg zelf worden geregeld. Nu is die nog niet goed gewaarborgd. De kwaliteit moet op orde zijn en dat kan alleen door indicatoren. Ik herken het geluid niet dat er teveel druk is uit de politiek.” Gunning-Schepers vindt dat de Inspectie haar werk ordentelijk heeft gedaan. “Maar met 80 indicatoren is er sprake van een uitdijend heelal.” Van De Vries mag zij de politiek daarop aanspreken. “Het mag niet zo zijn dat door teveel druk het moeilijk wordt voor de sector om het zelf te doen.”

Gespreksleider Van Weezel vraagt of ontsporing is tegen te houden. Gunning-Schepers noemt de ranglijstjes een ‘blessing in disguise’. “Hoe meer lijstjes, des te minder belangrijk ze worden. Zo kunnen wij gemakkelijker onze eigen koers varen.” Volgens Schipaanboord snappen patiënten het niet meer. “Er moet dus een neutrale, betrouwbare set van informatie zijn om te kunnen toetsen.”

 

wp6b0ff5a2_0f.jpg
wpb9c2aaf9.png
wpcd9be77d_0f.jpg
wp4cd2444d_0f.jpg
wp7411b7b5.png
wp49c7ea91.png
wp615bea71.png