wpf4561716.png

 

wp5ef5d38d_0f.jpg

Hét platform voor de zorg

wp85a4d237_0f.jpg

Verslag 11 november 2008

Het vertrouwen in elkaar moet terugkeren

 

Jeugdgezondheidszorg staat tijdens dit unieke gezamenlijke debat van Zorgpoort en Jeugdpoort centraal en met name de rol van eerstelijns zorgaanbieders bij de vorming van de nieuwe Centra voor Jeugd en Gezin (CJG). Zij spelen daarbij nog geen rol van betekenis, terwijl dat wel nodig is. Als hulpverleners krijgen zij vaak de eerste signalen over bijvoorbeeld kindermishandeling.

 

De Groningse burgemeester Jacques Wallage houdt een geanimeerd verhaal waarin hij de aanpak van de Groningse jeugdgezondheidszorg toelicht en af en toe de vinger op de zere plek legt. In zijn betoog wijst hij op de botsing tussen verticale organisaties en horizontale problemen. “Een buurtagent in mijn stad vraagt zich af hoe hij dient te functioneren in het shopgedrag van een probleemgezin.” Volgens Wallage staan we aan de vooravond van een brede opschudding van de instituties. “Dat gebeurt in het Veiligheidshuis, de Brede School en het zal ook gebeuren in de Centra voor Jeugd en Gezin.”

Samenwerking is daarbij belangrijker dan de eigen interne organisatie, vindt hij. Voordelen van de inrichting van de jeugdgezondheidszorg in de provincie Groningen is dat het één organisatie is met gemeenschappelijke aansturing. Er wordt lokaal maatwerk geleverd. De ongedeelde jeugdgezondheidszorg van 0 tot 19 jaar is ondergebracht bij de GGD. “Die samenhang tussen de jeugdgezondheidszorg en andere organisaties is van groot belang. De organisatorische samenwerking gaat begin 2009 van start, voor de inhoudelijke samenwerking is nog veel te doen”, aldus Wallage.

 

 

In Groningen zijn Ouder- en Kindcentra opgericht omdat de scholen de problemen van kinderen onvoldoende in kaart konden brengen en het vanuit de jeugdorganisaties evenmin lukte. In totaal staan zes Ouder- en Kindcentra gepland, waar men echt uitgaat van ouders en kinderen en dus niet de organisatie maatgevend is. “Het moet een laagdrempelige voorziening worden met een duidelijke scheiding tussen front- en backoffice”, aldus Wallage. “De frontoffice moet geen ‘office’ zijn en niet de geur van de backoffice hebben.”

Het bereik van de centra is in Groningen 99,5 procent. In de centra werken jeugdgezondheidszorg en maatschappelijk werk outreachend. Ze hebben op individueel en op groepsniveau gesprekken met ouders en kinderen. De formele indicatiestelling vindt plaats in de backoffice. Daar functioneren het elektronisch kinddossier en de verwijsindex en zijn de contacten met de jeugdzorg. Het is moeilijk  voor medewerkers van ouder- en kindcentra om de eerstelijnszorg te bereiken. “Zoiets kost tijd en organisatie bij de huisarts en daarbij is het verschillende opleidingsniveau een obstakel.” Volgens Wallage moet de eerste lijn zichzelf ook organiseren. “Veel mensen weten niet hoe ze de eerste lijn moeten opbouwen.”

wpbe2a34de_0f.jpg

Wijkgericht werken helpt, maar dat niet alleen. Wallage merkte dat instanties voor de jeugd teveel bezig zijn met de eigen organisatie. In Groningen zijn nu twee krachtwijken waar intensief wordt samengewerkt. Er is één gezinscoach per gezin met een herstelplan. Alle organisaties die te maken krijgen met dit gezin gaan eerst naar de gezinscoach. Als voorpost  mag die beoordelen of het gezin hulp krijgt. Als de moeder bijvoorbeeld wordt opgepakt voor winkeldiefstal, meldt de politie dat eerst aan de gezinscoach. Wallage: “Ik ben er diep van overtuigd dat verticale organisaties op horizontaal niveau hun diensten moeten aanbieden en moeten samenwerken, ook op budgettair niveau.”

Na zijn betoog wijst Wallage op het belang van vertrouwen geven, bijvoorbeeld aan de gezinscoach. “Dat mechanisme is nog belangrijker dan de samenwerking. Zie uzelf als deel van het netwerk om de boel bij elkaar te houden. Het is een vorm van onteigening.” Op de vraag wie de regie moet nemen, antwoordt Wallage dat hij van de stad is, niet van de gemeente. In Groningen is een netwerk gemaakt dat signaleert en elkaar informeert. “Als het netwerk niet werkt, heeft iemand zich teruggetrokken achter de veilige muren van zijn eigen organisatie. Het slagen heeft te maken met cultuur. De gezamenlijke verantwoordelijkheid van de organisaties zorgt ervoor dat ze zich aan het herstelplan houden, met een mond praten en ook hetzelfde zeggen.”

In de zaal vinden de woorden van Wallage veel weerklank. Ook een vertegenwoordiger van de brede scholen ziet meer in horizontale dan in de verticale aanpak. Hij vraagt zich af of de partijen niet beter resultaat gestuurd kunnen worden in plaats van proces gestuurd. Moeten er niet een prikkel op resultaat? Wallage is daarvan weggebleven. “Zou het dan zoveel anders zijn?” Hij gelooft niet meer in grootschaligheid. “De gemeente wil geen regie of bestuurlijke dwang toepassen, maar er moet een soort aantrekkingskracht zijn, waar organisaties samenklitten en zichzelf definiëren.”

wp616e8d1f_0f.jpg

Volgens Rieke Samson-Geerlings, procureur-generaal en lid van de stuurgroep kindermishandeling van het programmaministerie voor Jeugd en Gezin loopt de jeugdzorg vast in de bureaucratie. “Er is dringend coördinatie nodig en het Centrum voor Jeugd en Gezin heeft daarin een belangrijke rol.” Ze merkt dat hoe hoger je in een organisatie komt, des te meer het over structuren gaat. “Je moet als manager niet voorschrijven wat een professional moet doen, maar ruimte laten om ze buiten hun kaders te laten werken. Misschien wordt een professional dan onzeker, maar dat is eerder een teken van onwennigheid, dan van onwil.”

De stuurgroep kindermishandeling heeft bij de minister aandacht gevraagd voor de rol van de eerste lijn bij de Centra voor Jeugd en Gezin. “Bij de CJG’s zijn veel mogelijkheden voor het afgeven van signalen.” Maar ook de rol van het openbaar ministerie is belangrijk. “Men is vaak bang voor contact met ons, want stel je voor dat de kinderen een trauma oplopen. Maar de politie is de beste in waarheidsvinding. Bij onze ‘aanwijzing kindermishandeling’ gaat het erom hoe politie en openbaar ministerie daarmee moeten omgaan. We willen ze op het goede spoor zetten. Het strafrecht is een ultieme remedie. Het OM vervolgt ook weinig, het is vooral een stok achter de deur.”

 

wp907b9284_0f.jpg Ben Rensen, al 25 jaar actief als jeugdarts bij de GG&GD Utrecht in de wijk Ondiep, vindt het belangrijkste dat gezinnen je moeten vertrouwen. “En dat is er steeds minder.” Rensen komt dagelijks met de doelgroep in aanraking. “De kans op kindermishandeling in mijn wijk is 24 procent en dan heb ik maar 20 minuten om met iemand te spreken. Dat werkt niet. Als ik iets doorgeef aan Bureau Jeugdzorg of andere instanties duurt het heel lang voor ik iets terughoor. Ze bellen mij niet, terwijl ik alles weet over die gezinnen!” Volgens Rensen moeten we continuïteit organiseren. “Mensen moeten weten waar ze van op aan kunnen. Met alle instanties bij elkaar op een plek ben je al een heel eind. In zo’n centrum moet ook iedere maand een themabijeenkomst zijn over onderwerpen die spelen in de wijk. We moeten contextueel leren denken.”

Een persoon moet verantwoordelijk zijn en dat kan, volgens Rensen, de huisarts, de jeugdarts of de gezinsvoogd zijn. “Voorkom dat ze naar Bureau Jeugdzorg gaan. Daar zijn mensen bang voor, want dan wordt hun kind uit huis geplaatst.” Rensen is voor de horizontale benadering en verwijst naar een zin van Tolstoj: alle gezinnen zijn gelukkig op dezelfde manier maar ongeluk dragen ze elk op eigen wijze. “Zij moeten naar je toekomen.” Rensen wil niet dat de CJG’s weer een Bureau Jeugdzorg worden. “We moeten het zo organiseren dat je eerst kijkt wie de natuurlijke samenwerkingspartners zijn in een wijk. Je moet het op persoonsniveau regelen.”

wp829bc925_0f.jpg

Samson-Geerlings herkent het verhaal van Rensen. “Instanties vinden elkaar niet door onkunde en onmacht. We moeten het op de werkvloer regelen en per gezin kijken wat er aan de hand is.” Rensen vindt dat degenen die met kinderen te maken hebben ook goed moeten worden opgeleid. “Het moet een structureel onderdeel van de opleiding worden. Het is een manier van denken, een attitude. Van een protocol is nog nooit een kind beter geworden.”

Het verhaal van Rensen is Sascha Baggerman, gedeputeerde van Noord-Holland, uit het hart gegrepen. Ze wil ook een hogere drempel naar de jeugdzorg. “Het geld voor curatieve zorg kan veel beter naar preventie.” Baggerman wil dat initiatief wel nemen, maar haar geldstromen zijn gescheiden in programma’s voor de bureaus jeugdzorg en de aanbieders en voor de gemeenten. “Ik wil met een interventieprogramma de gemeenten stimuleren het geld weer meer in preventie te stoppen.”

Volgens Coen Dresen, bestuurslid van Tender Jeugdzorg, is er geen eerstelijns jeugdzorg in Nederland. “Er is wel een tweedelijns jeugdzorg en daar horen de bureaus jeugdzorg bij. Een betere eerste lijn is wel nodig. Je ontkomt dan niet aan structuren. Wie is er anders verantwoordelijk? De CJG’s hebben een eerste lijn met verantwoordelijkheid en de jeugdgezondheidszorg nodig. Dat wordt natuurlijk landjepik en dus ingrijpen en daar is meer moed voor nodig van de GGD’ en.”

 

 

Verslag: Wouter Boonstra, 2008. Fotografie: Pieter Pennings